22 feb Waarom elk bedrijf een filosoof nodig heeft!
Geïnspireerd op ‘Goed doen’ van Markus Gabriel
Auke Klijnsma
Op 23 januari las ik in de zaterdagkrant een artikel ‘individuele vrijheid is pure fictie’, en zo kwam ik in aanraking met de Duitse filosoof Markus Gabriel. Hij komt met het idee om in bedrijven een Corporate Philosophy Officer (CPO) aan te stellen. Dat is een prikkelend idee, zeker voor iemand die zich liberaal noemt en principieel pleit voor handhaving van het kapitalisme.

Mijn interesse was gewekt. Ik wilde meer van Markus Gabriel weten. Ik kocht zijn boek Goed Doen. Ik las het boek meteen twee keer achter elkaar. En zo gaat het dan vaak, ik kom zijn naam nu overal tegen. Zo kon ik op het laatste moment nog naar de brainwashspecial waar Marcia Luyten met hem in gesprek ging. Een bijzondere man met dure schoenen. En ja, ook ik vind dat elke bedrijf een CPO nodig heeft. Gabriel heeft mij gesterkt in deze overtuiging. Gabriel toont aan dat het voor elk bedrijf en voor de mensheid van grote toegevoegde waarde is als elke bedrijf een ethische afdeling heeft. Zijn stelling is: ‘Ons economisch succes is afhankelijk van de vraag of we goed doen.’ Gabriel laat de economie en de ethiek met elkaar in gesprek gaan. Hoe mooi is dat! Ik ben enthousiast. Ik zal iets vertellen over de zienswijze van Gabriel.
In Goed doen ontvouwt Gabriel een betoog dat begint bij een diagnose van onze tijd. Wij leven, zo stelt hij, in een tijd van weergaloze crises: financiële ontwrichting, ecologische uitputting, pandemieën, geopolitieke spanningen en een groeiend wantrouwen in instituties. Deze crises zijn niet louter technisch of toevallig. Zij leggen bloot dat wij economie en ethiek te lang uit elkaar hebben getrokken. Ik denk ook dat dat zo is. Gabriels antwoord is geen revolutie tegen het kapitalisme, maar een hervorming van binnenuit. Hij verdedigt het kapitalisme als noodzakelijk systeem, maar alleen wanneer het wordt verbonden met morele vooruitgang. Die verbinding vraagt om een nieuwe institutionele verankering van ethiek, concreet in de figuur van de Chief Philosophy Officer.
Gabriel vervolgt zijn betoog door zijn mensbeeld uit te leggen. Economische systemen rusten impliciet op een idee van wat een mens is. In de dominante economische wetenschap verschijnt de mens als rationele calculator, iemand die voorkeuren optimaliseert en kosten en baten afweegt. Gabriel noemt dit beeld problematisch. Mensen zijn nooit slechts volwassen rationele wezens die hun rekeningsaldo willen maximaliseren. Wij zijn pro-sociale wezens. Wij bestaan in relaties, zijn kinderen van onze ouders, leven samen met anderen en streven er vaak naar anderen te ondersteunen. We zijn bovendien ‘onszelf duidende dieren’: we interpreteren wie we zijn en wat we doen in het licht van waarden.
Dat mensbeeld is normatief geladen. Als mensen zichzelf kunnen duiden, kunnen zij ook verantwoordelijkheid nemen. Zij zijn geen speelbal van economische wetmatigheden. Zij kunnen hun verlangens herstructureren, hun doelen herzien en hun handelen corrigeren. Vrijheid is in deze visie geen louter negatieve vrijheid, geen afwezigheid van dwang, maar sociale vrijheid. Ik kan alleen vrij zijn als jij dat ook bent. Vrijheid betekent samen vrij zijn, ingebed in instituties die onze onderlinge afhankelijkheid erkennen. Vrijheid op deze manier ingevuld is een belangrijke basis voor het denken van Gabriel.
Vanuit dit mensbeeld verdedigt Gabriel het bestaan van morele feiten. Ethiek onderzoekt wat we absoluut moeten doen en wat we onder geen beding mogen doen. Morele feiten zijn juiste antwoorden op zinvol gestelde morele vragen. Het voorbeeld van het verdrinkende kind maakt dit concreet: als je zonder groot risico een kind van een verdrinkingsdood kunt redden, dan moet je dat doen. Ongeacht of je schoenen vies worden, je biertje lauw wordt en belangrijker nog, ongeacht van wie het kind is. Dat is geen kwestie van stemming of culturele voorkeur, maar een normatieve waarheid. Morele feiten zijn universeel geldig, onafhankelijk van taal of cultuur. Dat wij het soms oneens zijn, betekent niet dat er geen waarheid is, maar dat wij haar nog niet volledig hebben erkend.
Morele vooruitgang bestaat dan uit de grootschalige zoektocht naar en erkenning van zulke morele feiten. Denk aan de afschaffing van slavernij, vrouwenkiesrecht, de strijd tegen racisme. Morele vooruitgang komt vaak voort uit protest, activisme en dialoog. Zij is geen automatisch proces, maar het resultaat van strijd en reflectie. Cruciaal is dat morele vooruitgang niet losstaat van economische structuren. Arbeidsrecht, sociale zekerheid en gelijke rechten zijn mede ontstaan binnen de dynamiek van marktsamenlevingen.

Daarmee verschuift Gabriel in zijn boek naar het kapitalisme. Kapitalisme is voor hem geen synoniem met hebzucht, maar een systeem van privé-eigendom, contractvrijheid en vrije markten. Het is historisch het tegenovergestelde van feodalisme en slavernij. Het heeft ruimte geschapen voor ondernemerschap, creativiteit en innovatie. Vrije markten kunnen meerwaarde scheppen, materieel en sociaal. Een auto is meer waard dan zijn losse onderdelen; zo kan ook een goed georganiseerde markt sociale meerwaarde genereren.
Belangrijk is dat Gabriel geen alternatief ziet in volledig geplande systemen. De tegenhanger van de vrije markt is de geplande economie, waarin de staat bepaalt wat geproduceerd wordt en tegen welke prijs. Zulke systemen missen het creatieve en de onvoorspelbaarheid die het kapitalisme kenmerkt. Innovatie laat zich niet volledig plannen. Zij ontstaat in netwerken van initiatief, risico en experiment. En die innovatie is juist zo nodig om de crises van deze tijd op te kunnen lossen. Technocratie en louter door de overheid aangestuurde expertstructuren hebben historisch zelden duurzame oplossingen geboden.
Het is daarom voorbarig en gevaarlijk om het kapitalisme op te geven. Niet abstracte utopieën, maar een helder idee van de beschikbare middelen moet ons leiden. Het kapitalisme heeft bijgedragen aan verbetering van de gezondheidszorg, wetenschappelijke vooruitgang en armoedebestrijding. Het is flexibel en kan innovatieve oplossingen ontwikkelen voor nieuwe problemen.
Maar deze verdediging is geen vrijbrief. Vrije markten zijn geen doel op zich. Zij functioneren binnen een rechtsstaat die grenzen stelt. Mensenrechten en verkiezingen zijn niet te koop. Er zijn morele grenzen aan markten. Het kapitalisme is slechts een aspect van het economische leven, en dat economische leven is weer ingebed in de samenleving als geheel. Louter laissez-faire denken is onsamenhangend en onwenselijk.
Hier verschijnt het concept van ethisch kapitalisme. Het is het idee dat we kunnen en moeten profiteren van moreel goed handelen. Economie en ethiek komen samen. Economische winst kan en moet worden geboekt door moreel goed handelen. Ware winst is niet de kortetermijnophoping van rijkdom, maar kwalitatieve groei, duurzame ontwikkeling en verbetering van levenskwaliteit. Winst die voortkomt uit moreel goed handelen is economisch duurzamer. Ethisch kapitalisme vormt een brug tussen economie en politiek. Het wijst erop dat ondernemerschap moet bijdragen aan morele vooruitgang door innovatieve bedrijfsmodellen en diensten. Ondernemingen zijn laboratoria voor morele innovatie. Zij beschikken over de creativiteit en flexibiliteit om duurzame voeding, duurzame mobiliteit en andere oplossingen te ontwikkelen. De kracht van het kapitalisme ligt in zijn creativiteit en onvoorspelbaarheid.
In tijden van crisis wordt deze koppeling urgent. Het hoofddoel van economische activiteit is het verbeteren van levenskwaliteit. Dat vereist voortdurende economische vooruitgang, maar dan in kwalitatieve zin. Niet louter groei van consumptie, maar groei van betekenis, duurzaamheid en sociale vrijheid. Wij moeten onze verlangens anders structureren en zoeken naar werkelijk duurzame oplossingen.
Toch ontstaat hier een spanning. Als kapitalisme zo krachtig is, hoe voorkomen we dat het ontspoort in uitbuiting, ecologische schade en polarisatie? Gabriel antwoordt: door ethiek niet aan de rand, maar in het hart van de onderneming te plaatsen. Ondernemers zijn zelf verantwoordelijk voor morele vooruitgang. Zij kunnen zich niet verschuilen achter marktdruk of regelgeving. Het is in het belang van een bedrijf dat er geen haat wordt verspreid of milieuschade wordt geproduceerd.
DE Chief Philosophy Officer
Daarom pleit Gabriel voor een structurele ethische afdeling binnen ondernemingen, geleid door een Chief Philosophy Officer. Deze CPO onderzoekt in opdracht van de ondernemer welke bedrijfsmodellen, arbeidsculturen en omgangsvormen ethisch verantwoord zijn. Het gaat niet om het naleven van regels, maar om het zoeken naar handelingsopties die bijdragen aan waardecreatie via een concrete, creatieve ethiek.
En de CPO heeft haar meerwaarde al bewezen, zo leerde zij het bedrijf Lego via etnografisch en filosofisch onderzoek wat goed spelen en creatief bouwen echt betekent. Lego paste haar strategie aan en zou nu niet meer bestaan zonder deze cpo-achtige aanpak, zegt Gabriel.
De CPO opereert onafhankelijk en mag niet worden genegeerd. Hij of zij ontwikkelt een portfolio van ethische oplossingen. Dit is geen greenwashing, maar een institutionele erkenning dat morele kennis nieuwe vormen van probleemoplossing mogelijk maakt. Ethische problemen zijn principieel oplosbaar, maar we moeten actief zoeken naar morele feiten. Daar is nog wel wat in te doen. Lang niet alle ethische vraagstukken zijn nu oplosbaar.
Het voorbeeld van Facebook, een sociaal netwerk, laat zien wat hier op het spel staat. Als een platform dat zegt democratie te versterken, geen strategie ontwikkelt tegen haatspraak en desinformatie, ondermijnt het zijn eigen normatieve claim. Een CPO had in een vroeg stadium contentmoderatie en kwaliteitsnieuws kunnen bevorderen op dit platform, waardoor het groeipotentieel van Facebook op lange termijn juist groter was geweest. Ware winst ontstaat waar morele belofte en economische praktijk samenvallen.
De noodzaak van een CPO vloeit dus niet voort uit wantrouwen tegen kapitalisme, maar uit vertrouwen in zijn potentieel. Het kapitalisme kan een platform zijn om de mensheid verder te brengen. Maar dan moet het zichzelf hervormen. De economische wetenschap heeft behoefte aan een ethische update. Geestes- en maatschappijwetenschappen moeten aan tafel zitten. Filosofie bemiddelt, analyseert en helpt doelstellingen te bepalen.
Wij kennen te veel crises om ethiek als bijzaak te behandelen. Racisme, seksisme, ongelijkheid, milieurampen en destructieve bedrijfsmodellen vragen om morele vooruitgang. De nieuwe verlichting die Gabriel bepleit is het verbinden van economisch en ethisch denken. Economie en ethiek gaan hand in hand. Het is een veeleisende vorm van optimisme: geloven dat morele en economische vooruitgang elkaar kunnen versterken.
Een Chief Philosophy Officer is in dit geheel geen luxe, maar een noodzakelijke innovatie. Zoals de CFO financiële risico’s analyseert, zo analyseert de CPO normatieve risico’s en kansen. Hij of zij herinnert de onderneming eraan dat ware winst bestaat uit economische meerwaarde én het moreel goede. Hij of zij helpt om sociale afhankelijkheidsrelaties zo vorm te geven dat zij iedereen vrijer maken.
De inzet is hoog. Als wij kapitalisme loskoppelen van ethiek, riskeren wij een nachtmerrie waarin alles verhandelbaar wordt. Als wij het kapitalisme afschaffen, verliezen wij een krachtig instrument voor innovatie. De begaanbare weg ligt ertussen: ethisch kapitalisme, gedragen door ondernemingen die hun morele verantwoordelijkheid institutioneel erkennen. Daarom is de aanstelling van een Chief Philosophy Officer een teken van volwassenheid. Zij erkent dat economische macht gepaard gaat met normatieve verplichtingen. Zij erkent dat mensen prosociale, zichzelf duidende wezens zijn. Zij erkent dat morele feiten bestaan en dat morele vooruitgang mogelijk is. En zij erkent dat ware winst alleen daar ontstaat waar economische creativiteit en morele oriëntatie samenkomen. In een wereld vol crises is dat geen idealisme, maar moreel realisme. Hoe mooi is dat!