Werk is geen oplossing

t:
Door Auke Klijnsma

Gebaseerd op ‘Werk is geen oplossing’ van Marguerite van den Berg

In onze samenleving wordt werk vaak gezien als dé sleutel tot zekerheid, geluk en zelfstandigheid. Een betaalde baan zou niet alleen inkomen bieden, maar ook structuur, identiteit en perspectief. Toch stelt socioloog Marguerita van den Berg in haar boek Werk is geen oplossing deze diepgewortelde overtuiging ter discussie. Werk, zo betoogt zij, is in de huidige economische en sociale context juist een bron van onzekerheid en uitputting geworden. Dat is me nogal een stelling. Heeft Van den Berg een punt? Ik ga op onderzoek. Wat wil Van den Berg precies zeggen en hoe komt zij bij haar stevige stelling?

Wie om zich heen kijkt, herkent het beeld: mensen zijn moe. Iedereen lijkt het druk te hebben, altijd “aan” te staan en voortdurend achter de feiten aan te lopen. Of je nu een vast contract hebt, als zzp’er werkt of afhankelijk bent van oproepdiensten, de onzekerheid blijft. Presteer je goed genoeg? Kun je het tempo wel bijbenen? Heb je volgende maand nog werk? Kortom, voortdurende onzekerheid. Van den Berg spreekt over ‘precarisering’: een situatie waarin mensen bewust in een staat van onzekerheid worden gehouden. Als je bij de OV-fiets werkt, krijg je nooit een contract voor onbepaalde tijd, piloten moeten altijd beschikbaar zijn en mensen moeten wel tweeverdiener zijn om hun huis te kunnen betalen.

Het paradoxale is dat werk juist wordt gepresenteerd als oplossing voor diezelfde onzekerheid. We leren dat hard werken loont, dat succes maakbaar is en dat we zelf verantwoordelijk zijn voor onze positie op de arbeidsmarkt. Maar in werkelijkheid blijkt werk vaak geen stabiele basis te bieden. Integendeel, het dwingt mensen om flexibel, beschikbaar en voortdurend productief te zijn, zonder garanties op lange termijn.

Deze druk leidt tot uitputting. Niet alleen fysiek, maar ook mentaal. Veel werknemers proberen hiermee om te gaan door zichzelf te verbeteren: efficiënter werken, beter leren plannen, mindfulness, yoga. Maar volgens Van den Berg ligt het probleem niet bij het individu. Door alles te ‘psychologiseren’, blijven de onderliggende structurele problemen buiten beeld. Mensen denken dat ze zelf tekortschieten, terwijl ze in werkelijkheid functioneren in een systeem dat hen structureel overbelast. 

Een belangrijk concept in dit betoog is kwetsbaarheid. In het dominante beeld van de moderne mens staat autonomie centraal: we moeten zelfstandig, sterk en onafhankelijk zijn. Kwetsbaarheid past daar niet in. Toch is kwetsbaarheid een fundamenteel onderdeel van het mens-zijn. Iedereen is afhankelijk van anderen, van zorg, van sociale structuren. Het probleem is dat deze kwetsbaarheid ongelijk verdeeld is. Sommige groepen worden veel harder geraakt door onzekerheid dan anderen. 

Doordat we kwetsbaarheid ontkennen, gaan we elkaar ook als concurrenten zien. In plaats van solidariteit ontstaat er wantrouwen: wie werkloos is, zal wel niet hard genoeg zijn best doen. Wie geen succes heeft, heeft dat aan zichzelf te wijten. Zo houden we een systeem in stand dat ons juist verdeelt en verzwakt.

Van den Berg pleit daarom voor een andere manier van denken. In plaats van werk te zien als oplossing, moeten we erkennen dat het probleem juist in de organisatie van werk ligt. Onze verwachtingen van werk zijn te hoog geworden. We verwachten dat het ons zekerheid, zingeving én geluk geeft, terwijl het in de praktijk vaak het tegenovergestelde doet.

Wat is dan het alternatief? Volgens Van den Berg begint verandering bij het erkennen van gedeelde ervaringen. “Zeg niet: ik ben uitgeput, maar: wij zijn uitgeput.” Door ervaringen te delen, ontstaat er ruimte voor solidariteit. Mensen ontdekken dat hun problemen geen individuele tekortkomingen zijn, maar voortkomen uit bredere maatschappelijke structuren. 

Daarnaast pleit zij voor vormen van verzet. Dat kan variëren van kleine acties, zoals grenzen stellen aan werktijd, tot grotere collectieve bewegingen zoals stakingen of het ontwikkelen van alternatieve economische modellen. Denk aan het delen van middelen (commons), het herwaarderen van onbetaalde arbeid zoals zorg en opvoeding, of zelfs het idee van een basisinkomen.

Ook de rol van de politiek wordt kritisch bekeken. Beleidsmaatregelen zoals het versoepelen van ontslagrecht of het vereenvoudigen van flexcontracten lossen het kernprobleem niet op. Ze blijven binnen hetzelfde denkkader waarin werk centraal staat als oplossing. Volgens Van den Berg zijn dit “de verkeerde sleutels”: ze veranderen niets aan de structurele onzekerheid die mensen ervaren. 

De kern van haar boodschap is helder: werk, zoals het nu georganiseerd is, biedt geen echte zekerheid. Sterker nog, het vergroot vaak de onzekerheid en uitputting. Als samenleving moeten we daarom op zoek naar andere vormen van zekerheid, die niet volledig afhankelijk zijn van betaalde arbeid.

Dat vraagt om een fundamentele herwaardering van wat we belangrijk vinden. Minder nadruk op productiviteit en groei, meer aandacht voor zorg, rust en onderlinge verbondenheid. Minder competitie, meer samenwerking. Minder individuele verantwoordelijkheid, meer collectieve oplossingen.

Misschien ligt de echte oplossing niet in harder werken, maar in anders leven. In het durven loslaten van het idee dat werk ons zal redden. En in het bouwen aan een samenleving waarin we niet alleen op onszelf, maar vooral op elkaar kunnen vertrouwen. 

Van den Berg heeft een punt. En daar moeten we het over hebben.