Goed werk vraagt de moed om te vertragen

Simone Lensink in gesprek met Auke Klijnsma

Een gesprek over filosofie, vakmanschap en de vraag hoe werk weer van ons kan worden

Je bent je gaan verdiepen in toegepaste filosofie. Wat was voor jou de aanleiding?
“Het was geen verlangen om filosoof te worden. Ik wilde vooral beter worden in het werk dat ik al deed. Ik werkte in het HRM-vak en als docent, en merkte dat ik steeds vaker het gevoel had dat ik vastzat in een manier van denken. Alles werd bekeken vanuit efficiëntie, systemen en instrumenten. Dat werkt tot op zekere hoogte, maar ik miste iets fundamenteels. Ik wilde opnieuw nadenken over wat werk eigenlijk is en wat mijn rol daarin betekent.”

Wat miste je precies in dat bestaande kader?
“Ruimte voor reflectie. Voor twijfel. Voor vragen zonder direct antwoord. In mijn vak werd er vooral verwacht dat je snel beslissingen neemt en problemen oplost. Filosofie bood mij iets totaal anders: vertragen, onderzoeken, bevragen. Even uit het automatische denken stappen en opnieuw kijken.”

Waarom koos je voor toegepaste filosofie en niet voor een meer theoretische richting?
“Omdat toegepaste filosofie juist gaat over het dagelijks leven. Over werk, over keuzes, over hoe je je verhoudt tot anderen en tot jezelf. Het gaat niet om abstracte theorie, maar om de vraag: hoe leef en werk ik eigenlijk? En klopt dat nog voor mij?”

Wat heeft die studie je het meest gebracht?
“Het inzicht dat je problemen vaak niet meteen moet oplossen, maar eerst moet verdiepen. Ik heb altijd geleerd om dingen zo simpel mogelijk te maken. Filosofie leert je om het eerst moeilijk te maken. Niet om te compliceren, maar om te begrijpen. Pas daarna kun je het weer eenvoudig maken, maar dan op een manier die klopt.”

Wat betekent dat concreet in de praktijk?
“Dat je niet meteen handelt omdat dat van je verwacht wordt. Maar dat je jezelf de tijd gunt om te onderzoeken: wat is hier eigenlijk aan de hand? Wat vind ik hier zelf van? Vanuit welke waarden wil ik handelen? Dat vraagt tijd en moed, maar het leidt tot betere keuzes.”

Heeft die manier van denken ook invloed gehad op je eigen loopbaan?
“Zeker. Ik was iemand die vrij impulsief kon denken: als iets me niet meer beviel, ging ik wel weer wat anders doen. Door filosofie ben ik veel dieper gaan nadenken over wat ik echt wilde. Dat heeft geleid tot een bewuste carrièreswitch richting het docentschap. Een keuze die veel minder werd gedreven door status of geld, en veel meer door wie ik ben en waar ik voor sta.”

Je gebruikt vaak het begrip ‘goed werk’. Wat versta jij daaronder?
“Goed werk is werk waar je trots op kunt zijn. Werk dat je met aandacht en zorg uitvoert. Niet perfect, maar wel zo goed als je kunt. Het gaat erom dat je aan het eind van de dag kunt zeggen: dit klopt. Dit is van mij.”

Waarom staat dat onder druk?
“Omdat werk steeds meer wordt opgeknipt in taken, processen en meetbare output. Daardoor kun je vervreemd raken van het geheel. Je doet wel iets, maar het voelt niet meer als jouw werk. En precies daar verdwijnt het gevoel van trots.”

Je haalt vaak het werk van Richard Sennett aan als het over vakmanschap gaat. Wat spreekt je daarin zo aan?
“Sennett zegt heel helder dat vakmanschap gaat over de wens om iets goed te doen omwille van het goed doen zelf. Niet omdat het wordt gemeten of beloond, maar omdat jij als professional vindt dat het klopt. Dat idee raakt me enorm, omdat het haaks staat op hoe werk nu vaak is georganiseerd.”

Waarom is vakmanschap zo kwetsbaar geworden?
“Omdat vakmanschap tijd nodig heeft. Oefening. Reflectie. Ruimte om fouten te maken en daarvan te leren. In veel organisaties is die ruimte verdwenen. Alles moet snel, efficiënt, lean. Maar zonder oefentijd kun je nergens beter in worden. En zonder beter worden verdwijnt de trots.”

Wat doet dat met mensen?
“Mensen raken uitgeput, niet per se omdat ze te hard werken, maar omdat ze hun werk niet meer goed kunnen doen. Ze zijn verantwoordelijk voor het resultaat, maar hebben geen zeggenschap over hoe het werk wordt ingericht. Dat botst met hun professionele waarden en put enorm uit.”

Is dat ook wat je ziet terug in burn-outs en uitval?
“Ja. Veel mensen raken niet opgebrand omdat ze lui zijn of niet gemotiveerd, maar omdat ze jarenlang werk hebben gedaan dat niet klopt met hun idee van goed werk. Ze blijven ‘ja’ zeggen, loyaal, betrokken, tot het niet meer gaat.”

Wat kan filosofie daarin betekenen?
“Filosofie helpt om woorden te geven aan wat wringt. Om niet meteen te accepteren dat ‘het nu eenmaal zo is’, maar om te vragen: is dit eigenlijk nog goed werk? En zo niet, wat vraagt dat van mij, van mijn rol, van mijn keuzes?”

Maar veel mensen voelen zich machteloos in hun organisatie.
“Dat snap ik. Je kunt het systeem niet in je eentje veranderen. Maar vakmanschap begint klein. Bij jezelf. Door opnieuw te kijken naar je eigen werk. Wat is wezenlijk? Waar voeg ik echt waarde toe? En wat is eigenlijk onzin?”

Dat vraagt wel moed.
“Ja. Vakmanschap is niet alleen technisch, maar ook moreel. Het vraagt de moed om grenzen te stellen. Om te zeggen: dit kan ik zo niet goed doen en doe ik dus ook niet. Of: als we dit belangrijk vinden, dan hoort hier tijd en ruimte bij. Dat gesprek is spannend, maar noodzakelijk.”

Wat vraagt dit van leiderschap?
“Dat leiders verder kijken dan cijfers en regels. Dat ze ruimte maken voor vakmanschap. Voor reflectie, leren en kwaliteit. Niet alleen zeggen dat mensen belangrijk zijn, maar dat ook laten zien in keuzes.”

Is vakmanschap alleen relevant voor bepaalde beroepen?
“Nee, absoluut niet. Elk beroep kent vakmanschap. Een verpleegkundige, een docent, een IT’er, een HR-adviseur. Iedereen kan zich afvragen: hoe kan ik hier beter in worden? En krijg ik daar de ruimte voor?”

Wat gebeurt er als mensen die vraag weer serieus nemen?
“Dan verandert hun relatie met werk. Ze worden minder cynisch, minder uitgeput. Ze voelen zich weer eigenaar van wat ze doen. Zelfs als het werk zwaar is, kan het dan nog steeds betekenisvol zijn, omdat het ergens over gaat.”

Tot slot: wat zou je de lezer willen meegeven?
“Zie dit niet als een oproep om rigoureus alles om te gooien, maar als een uitnodiging. Sta eens stil bij je eigen werk. Wat betekent ‘goed werk’ voor jou? Waar ben je trots op? En waar schuurt het, omdat je je werk niet zo goed kunt doen als je zou willen?”