25 okt Minicollege – De Ambachtsman – Richard Sennett
Goedendag,
Dit mini college is gebaseerd op het boek de ambachtsman van Richard Sennett. Hij publiceerde dit boek in 2008 en ik heb de Nederlandse vertaling uit 2016 gelezen. Een paar jaar geleden begon ik aan dit boek. maar kwam er toen niet lekker door. Nu heb ik het herlezen. En dat was een bijzondere ervaring. Ik heb de hele tijd een broeiend gevoel gehad dat ik met iets belangrijks bezig was, dat ik iets waardevols ontdekte. Iets wat mij kon helpen, mij persoonlijk maar ook mijzelf als professional. Ik kon het niet helpen. Dit gebeurde gewoon. Mijn lijf werd onrustig. Er spraken vlinders in mijn buik. Ik zal proberen hier woorden aan te geven.
Dit boek ligt aan de basis dat ik weer opnieuw van mijn werk kan gaan houden. En het legt bloot, waarom dat mij de laatste jaren niet is gelukt. Om dit uit te leggen moet ik nu al wel één van de conclusies van dit boek delen. Ik vind dat niet erg. Dit college is geen film met een spanningsopbouw en een verrassend slot. Ik zal een klein deel van het slot vast onthullen. Maar, en dat kan ik beloven, het slot wordt mooier, zeker als je het boek echt kunt doorgronden. Dat is vaak zo. Er is verdieping en reflectie nodig om een ervaring te doorgronden en pas dan, of alleen dan kun je het mooie echt doorvoelen en binnen laten komen. Dus het hele college blijft wat mij betreft toch nog zeer de moeite waard.

De conclusie die ik vast wil delen is dat Sennett duidelijk maakt dat we in een wat hij noemt vaardighedensamenleving leven. En deze vaardighedensamenleving, zo stelt hij, walst elke carrière plat. In de vaardigheden samenleving worden mensen geacht een portefeuille van vaardigheden te benutten. In plaats van één vaardigheid echt te ontwikkelen. Deze visie heeft mij wakker gekust. Ik kan er nog iets meer over zeggen.
De vaardighedensamenleving walst een carrière plat. Mensen worden geacht in de loop van hun werkzame leven een portefeuille van vaardigheden te benutten, in plaats van één vaardigheid te ontwikkelen. Dan kun je het dus nooit goed doen! Dan kun je dus nooit ergens echt goed in worden! Dan doe je te veel net niet goed en dat walst een carrière plat. Om precies duidelijk te maken grijpt Sennett terug op de taal. Het Engelse woord ‘job’ betekent in de historie een stapel kolen verplaatsen. Career betekent een aangelegde weg. In een samenleving zullen we jobs, of mag ik zeggen jobjes uitvoeren en dat zal nooit leiden tot een aangelegde weg. Wat leer je dan? Wat maak je dan waar je trots op bent? Ja er zijn veel kolen verplaatst en misschien zelfs weer terug verplaatst. Ik denk dat je dan kunt spreken van een platgewalste carrière.
En dit geldt ook voor mij? In mijn vakgebied heb ik veel kolen verplaatst. Ik voelde steeds de onrust om in heel veel, te veel, onderdelen van mijn vakgebied beter te willen worden. Ik rende van opleiding naar opleiding, wilde verschillende organisaties leren kennen, voelde me genoodzaakt om me juridisch, organisatiekundig, bedrijfskundig, filosofisch, praktisch, en menselijk te specialiseren met het doel om in organisaties goed te zijn in mijn werk, bij te dragen aan de organisatiedoelen, aan winst voor anderen. Ik was een dozen verschuiver en wist niet eens precies wat er in welke dozen zat en waarom ik ermee aan het schuiven was. De aangelegde weg bleek een hobbelige en richtingloos modderpad. Ik heb erin kunnen overleven en dat gaf ook wel een kick. En ik heb me er staande in kunnen houden. Maar ik heb gezwoegd, geploeterd, geleerd en pas nu, op de leeftijd 52, probeer ik in te zien wat ik allemaal heb gedaan, wat ik heb geleerd, en ook hoe ik me zelf heb verwaarloosd. Sennett heeft me wakker geschud. Door het lezen van dit boek kan ik weer van mijn vak gaan houden. Hij heeft me doen inzien dat ook ik het in mij heb een goede vakman te zijn. Sennett zegt: ‘Vrijwel ieder mens heeft het in zich uit te blinken in een bepaald ambacht’. En hij maakt duidelijk wat de schoonheid is van een ambacht en hoe mooi het is je leven eraan te wijden. Daar gaat dit boek over. En daar kan ik mee verder.
We kunnen aan de slag.
De herontdekking van het ambacht
Zoals ik al zei leven we volgens Sennett in een vaardighedensamenleving. We worden geacht van alles een beetje te kunnen, in plaats van één ding écht goed te leren. We schuiven dozen, zoals hij het noemt, maar weten soms niet eens meer wat erin zit.
Hoe anders is dat bij de vakman. De vakman kiest niet voor snelheid of oppervlakkige veelzijdigheid, maar voor die ene wonderlijke, trage weg: beter worden in iets. Steeds beter. Oefenen, bijschaven, falen, herstellen, weer oefenen. Een weg van kalme ijver. Dat woord, kalme ijver, is misschien wel de mooiste samenvatting van wat vakmanschap betekent. Rust en toewijding. Geen rust van gemakzucht, maar van diepe concentratie. Geen ijver van onrust, maar van liefde.
De schoonheid van het beter worden

Sennett beschrijft de vakman als iemand die zijn werk doet omwille van het werk zelf. De pottenbakker die de klei door zijn handen voelt gaan, de vioolbouwer die het hout aftast, de chirurg die zijn instrumenten kent als verlengstukken van zijn eigen vingers. Wat de bvakman drijft is niet status, niet geld, maar de vreugde van beheersing, het gevoel dat je iets kunt dat je gisteren nog niet kon. Ik herken dat. Ik ben verslaafd geweest aan filmpjes over houtverbindingen: mensen die hout tot in de vezel leren kennen, die met kalme precisie een zwaluwstaart laten ontstaan. Er zit iets meditatiefs in. Het lijkt traag, maar het is vol spanning. Elke handbeweging telt.
Sennett noemt dat materieel bewustzijn: het besef dat je niet boven je materiaal staat, maar ermee in gesprek bent. De goede vakman luistert naar wat het hout wil, wat de klei vraagt, wat het instrument zegt. En soms gaat het mis en juist dan leert de vakman. Want fouten zijn niet falen, ze zijn oefenmomenten die je vakmanschap verdiepen.
De schets en het onverwachte
Een van de mooiste inzichten van Sennett is het belang van de schets. Een goede vakman, zegt hij, begint nooit met het perfecte plan. Hij maakt een schets niet om controle te krijgen, maar om ruimte te houden voor het toeval. De schets voorkomt een voortijdig slot. Dat vind ik zo’n prachtig beeld: wie te snel wil afronden, sluit zijn eigen leerweg af. De vakman daarentegen werkt mét de weerstand die hij tegenkomt. Hij weet dat het hout kan splijten, dat de klei kan barsten, dat de werkelijkheid zich zelden precies naar het plan voegt. Hij ziet onvoorziene omstandigheden niet als obstakels, maar als uitnodigingen tot aanpassing.
Die houding, de houding van improviseren zonder paniek, aanpassen zonder jezelf te verliezen, dát is kalme ijver in actie. En dat geldt niet alleen voor timmerlieden of musici. Ook in onderwijs, zorg, wetenschap of bestuur kunnen we zo werken: met aandacht, nieuwsgierigheid en het vertrouwen dat de weg zich al doende toont.
De hand en de ziel

Sennett schrijft vol bewondering over de hand. Kant noemde de hand het venster op het verstand. Wat een wonder is dat eigenlijk: dat wij kunnen grijpen, draaien, voelen, loslaten en dat die bewegingen onze geest vormen. Een musicus voelt het onmiddellijk als het niet goed gaat. Niet omdat hij een verkeerde toon hoort, maar omdat zijn hand het voelt. De hand weet eerder dan het hoofd. Dat geldt elke vakman in elk domein: hij voelt wanneer iets klopt. De hand en het hart werken samen. Het is lichamelijke intelligentie een kennis die niet in woorden past, maar in gebaren, ritme, routine. Sennett zegt: “Hoe fiets je? Hoe werkt een rits?” Probeer het maar eens uit te leggen. Je weet het pas als je het doet.
Iedereen kan een vakman worden
Sennett is optimistisch: bijna iedereen heeft het in zich om een goede vakman te worden. Vakmanschap is geen gave, maar een houding. Het is aandacht en oefening, niet genialiteit.
Hij vergelijkt het met spel. Kinderen leren door te spelen, door te herhalen, te proberen, te falen, opnieuw te proberen. In dat spel leren ze regels én leren ze ermee spelen. Volwassenen, zegt Sennett met een verwijzing naar Huizinga, verliezen iets essentieels als ze het spel kwijtraken: hun nieuwsgierigheid, hun vermogen om zich te verwonderen. Een vakman blijft spelen, ook als hij ouder wordt. Hij blijft experimenteren, blijft nieuwsgierig. De routine die hij ontwikkelt is geen sleur, maar een bron van vrijheid. Wie iets echt beheerst, kan variëren, improviseren, vernieuwen.
De waarden van de vakman
Door Sennett heb ik opnieuw woorden gevonden voor waarden die in onze werkcultuur zelden nog ruimte krijgen. Moed, bijvoorbeeld. De moed om regels te veranderen als het vak dat vraagt. Een echte vakman is autonoom: hij laat zich leiden door wat het werk nodig heeft, niet door wat de spreadsheet vraagt.
Of diepgang. We zijn gewend om dingen eenvoudig te maken, snel, efficiënt. Maar een vakman weet dat je soms juist moet verdiepen, complex maken, worstelen met het materiaal. Leren is langzaam.
En dan verveling, dat noem ik de vergeten deugd. Verveling schept ruimte. In de traagheid, in het nietsdoen, borrelt het nieuwe op. Wie zich nooit verveelt, heeft geen tijd om te luisteren naar wat het werk te vertellen heeft.
Sennett prijst de traagheid van de vakman. Traagheid is geen gebrek aan tempo, maar de ruimte die nodig is om te reflecteren, te voelen, te begrijpen. De vaardigheid rijpt. En in die rijping ontstaat niet alleen kwaliteit, maar ook ethiek: de vraag “Doe ik wel het goede?” kan alleen gesteld worden door iemand die vertraagt.
De strijd tegen de snelheid
En hoe actueel is dit alles. In onze tijd wint snelheid het van kwaliteit. We worden afgerekend op KPI’s, deadlines en efficiëntie. De eerste zijn is belangrijker dan de beste zijn. Maar, zegt Sennett, dat is een vergissing. Wie haast heeft, leert niet. Wie altijd doorrent, wordt nooit goed in zijn werk.
De vakman herinnert ons eraan dat goed werk tijd kost.
Kalme ijver als levenshouding

Wat ik uit Sennett meeneem, is dat vakmanschap niet alleen gaat over werk, maar over leven. Het is een manier van zijn: aandachtig, toegewijd, nieuwsgierig, traag waar het moet, gedreven waar het kan. De goede vakman kent de waarde van de schets, van de fout, van het nog-niet-weten. Hij vertrouwt op zijn hand, zijn oog, zijn gevoel. Hij heeft plezier in de herhaling, in het bijschaven, in het kleine stapje beter worden. En bovenal: hij heeft eerbied voor het proces zelf. Hij werkt niet om iets af te hebben, maar om iets goeds te doen. Dat is de kalme ijver waar Sennett over spreekt
Tot slot: Een ode aan de hand
Kijk eens naar je hand. Wat een wonderlijk instrument. Het kan grijpen, strelen, bouwen, schrijven. Het kan iets maken dat er gisteren nog niet was. In die hand ligt, als je goed kijkt, een belofte. De belofte dat jij ook iets kunt maken dat van jou is. Iets dat je met aandacht hebt gevormd, iets wat beter is geworden door jouw geduld, jouw fouten, jouw herstel. Iedereen kan een vakman worden. Het vraagt geen talent, alleen toewijding. Kalme ijver. De bereidheid om te oefenen, te vertragen en te blijven zoeken naar kwaliteit. En misschien, als je dat doet, ontdek je wat ik bij het herlezen van Sennett ontdekte: dat het vak, welk vak dan ook, een manier kan zijn om weer van het leven te houden.
Dank Richard Sennett. Dank u!